Waterbodems: wat verandert er qua beleid?

Verslag themadag Baggernet gehouden op 8 november 2006

Op 8 november 2006 organiseerde Baggernet in samenwerking met Bodem+ en DG Water een themadag over de consequenties van het Besluit Bodemkwaliteit voor het baggeren. Kernbetoog van de presentaties in de ochtend was dat het nieuwe beleid ruimte biedt voor lokale beleidsvorming. De oproep werd gedaan aan gemeenten en waterschappen om elkaar op te zoeken en in overleg te gaan hoe die beleidsruimte optimaal te benutten. In de middag was er een informatiemarkt over beleidsmatig geïnitieerde projecten van de ministeries van VROM en V&W en de Unie van Waterschappen. 300 vertegenwoordigers uit de waterbodemwereld namen deel aan deze bijeenkomst.

Na een welkom door Wim Drossaert, coördinator van Baggernet, volgde een korte introductie door Henk van Zoelen (Bodem+) en Sjoerd van Dijk (DG Water).
Bodem+ probeert een schakel te zijn tussen de centrale overheid en de praktijk. Daartoe vertaalt Bodem+ kennis uit de praktijk naar VROM, o.a. aan de hand van beleidsadviezen, en organiseert zij bijeenkomsten en masterclasses voor kennisoverdracht via regioniale platforms.
Sjoerd van Dijk, DG Water, riep de aanwezigen op toch vooral mee te draaien in de grotere projecten van WB21 om goed op de hoogte te blijven van actuele ontwikkelingen.
De link tussen Bodem+ en DGW is dat beide organisaties staan voor het Besluit Bodemkwaliteit en dat zij van mening zijn dat samenwerking tussen gemeenten en waterschappen cruciaal is voor het laten slagen van het nieuwe beleid. Ontwikkelingstrajecten van land-bodem-water moeten bij elkaar gebracht worden, en denk daarbij vooral vanuit kansen in de regio, zorg dat je aanhaakt bij trajecten die baggerspecie praktisch kunnen toepassen. Op de vraag van Wim Drossaert aan beide heren wat ze van elkaar willen, was er een eenduidig antwoord. Het nieuwe beleid zal de droge en de natte mensen bij elkaar gaan brengen, en daar willen zij uiteraard het voorbeeld van zijn. Zo zal Bodem+ ook de vraagbaak worden over baggeren voor de natte mensen in relatie tot het Bodembesluit. De centrale boodschap van deze dag luidt: lokale bestuurders u bent aan zet!

Besluit Bodemkwaliteit: het lokale bestuur aan zet!

Martijn Thijssen, VROM - Directie Bodem, Water, Landelijk Gebied, presenteerde de uitgangspunten van het Besluit Bodemkwaliteit. Het Besluit wordt naar verwachting begin 2007 in de Tweede Kamer behandeld en zal dan mogelijk in het 2e kwartaal 2007 in werking treden.
In de nieuwe aanpak wordt grond voortaan gelijk behandeld als bagger, ook als deze verontreinigd is. Het nieuwe beleid streeft naar decentralisatie en legt daarbij onder andere de uitdaging bij lokale partijen voor het zoeken naar regionale toepassingen van bagger.

Het Besluit Bodemkwaliteit behelst twee hoofdlijnen:

  1. gebiedsspecifiek kader;
  2. generieke regels als terugval-optie voor het lokale gezag dat geen specifieke invulling wil geven aan bodembeheer.

Bij de gebiedsgerichte aanpak kunnen lokale normen worden vastgesteld op basis van de actuele bodemkwaliteit (bodemkwaliteitskaarten), actueel gebruik van de bodem (bodemfunctiekaart), de grond- en baggeropgave en de risicotoolbox.
Daarbij moet een goede afweging gemaakt worden tussen enerzijds een optimale bodembescherming en anderzijds de afzetruimte voor grond en bagger. Grootschalige toepassing baggerspecie: afdekken vuilstort

Het generieke beleid geldt zolang er geen gebiedsspecifiek kader is vastgesteld. Dat generieke beleid gaat uit van actueel bodemgebruik en de actuele bodemkwaliteit.
De normstelling voor toepassen van grond en baggerspecie beweegt zich tussen de uitersten ‘altijd toepassen’ voor schone specie tot ‘nooit toepassen’. Hiervoor is geen vaste norm afgeleid; de ‘nooit-grens’ wordt bepaald door toepasing van een bepaalde rekenmethodiek die Sanskriet heet. Daartussen staan de lokale normen voor gebiedspecifiek toepassen, en de landelijke normen voor woongebied en industrie.
Het nieuwe beleid biedt genoeg ruimte om regionale bagger toe te passen. Onderhoudsbagger uit regionale wateren neemt een speciale positie in. Voor bagger op de kant zijn de mogelijkheden gelijk gebleven. Het generieke beleidskader biedt aanvullend afzetruimte voor bagger.
De term “toepassing bagger in werken” is vervangen door “grote bodemtoepassingen”: denk daarbij aan geluidswal, terp, snelweg, put.
Martijn besluit met de oproep aan lokaal bestuur om pro-actief met de nieuwe regels om te gaan. Samenwerking tussen regionale/lokale organisaties is daarbij essentieel. Het Besluit Bodemkwaliteit biedt genoeg kansen, maar die moeten wel verzilverd worden.

Uit het publiek kwam de opmerking dat het (water)bodembeleid niet zo leeft bij lokale politici. En om de paar jaar komt er weer een nieuwe lichting lokale bestuurders. Hoe zou je die situatie kunnen verbeteren?
Martijn bevestigde dat dit iets is om aandacht aan te besteden – mogelijk dat daar in het Communicatieplan van het Besluit Bodemkwaliteit iets over is opgenomen. Als lokaal bestuur beseft dat er winst behaald kan worden uit het nieuwe beleid, dan zou daar toch wel belangstelling voor moeten ontstaan.

Nieuw beleid natte bodem

Peter van Zundert, V&W - DG Water, gaf een overzicht van de verschillende benaderingen van bagger door de tijd heen.
Tot 1980 werd bagger gezien als een natuurlijk en waardevol onderdeel van het watersysteem. De regelgeving was beperkt en er was geen sprake van bestemmingsproblemen voor bagger. Rond 1980 kwam de omslag. Er was een toenemend besef dat waterbodems en baggerspecie verontreinigd kunnen zijn. De regelgeving werd strenger en was vooral gebaseerd op het voorzorgbeginsel van het preventiespoor. Door aan te haken bij ontwikkelingen die voor de droge bodems reeds in gang waren gezet, raakte het eigen karakter van waterbodems buiten beeld. Er kwamen restricties aan het bestemmen van baggerspecie. Baggeren werd daardoor duurder, ook al door een tekort aan betaalbare bestemmingen. Er ontstond vertraging in het uitvoeren van baggerwerk. Nederland dreigde in de bagger weg te zakken.

Rond 2000 kwam met het TienJarenScenario Waterbodems het omslagpunt dat stevig de noodklok luidde. Er was veel geld nodig voor een voortvarende aanpak van de baggerachterstand t.b.v. WB21, KRW en scheepvaart. Rivierverruiming bleef hierbij buiten beschouwing omdat de bijbehorende baggeropgave vanuit andere beleidskaders al wordt opgepakt (Maaswerken, Ruimte voor de Rivier). De onderbouwing voor dat extra geld kwam van de studie Maatschappelijke Kosten-Baten Analyse Waterbodem.
Het Kabinet reageerde hierop door het genereren van middelen om een eerste aanzet te geven aan de aanpak van de baggerachterstand. Structurele besluitvorming over extra investeringen voor de baggeropgave geschiedt in samenhang met besluitvorming over de financiering van het totale pakket aan maatregelen dat nodig is voor de wateropgave voor WB21 en KRW.
De impasse in het vinden van baggerbestemmingen moet worden doorbroken door uitvoering van de Startovereenkomst ‘Op weg naar regionale bestuursakkoorden waterbodem’ en door de aanpak van de veelheid aan sterk versnipperde en slecht afgestemde regels. Het Besluit Bodemkwaliteit is hierop het antwoord.

Het nieuwe beleid gaat ervan uit dat baggerspecie (weer) nuttig toepasbaar of verspreidbaar is (tenzij er sprake is van ‘saneringsbaggerspecie’). Bij toepassen of verspreiden in oppervlaktewater staan de KRW-doelen centraal: de gebiedskwaliteit mag niet verslechteren en dient waar mogelijk te worden verbeterd. Die gebiedskwaliteit strekt verder dan stoffen meten en beoordelen, maar vraagt een holistische benadering uitgaande van de kwaliteitsdoelstellingen (w.o. de ecologische), de gebruiksfuncties en de voorziene ruimtelijke ontwikkelingen op weg naar duurzaam en klimaatbestendig waterbeheer.
Sedimentbeheer, inclusief het bestemmen van baggerspecie, wordt zo een volwaardig onderdeel van het integrale waterbeheer dat via vastlegging in gebiedsgerichte plannen, weer toelevert aan stroomgebiedbeheersplannen. Dit bevordert de herkenning en erkenning van baggeren als maatschappelijke relevante maatregel voor de realisering van de KRW- en WB21-doelen.
Aan ons als waterbodemmensen de uitdaging om naar de burger en onze verdere achterban te communiceren dat baggeren en het vervolgens weer “toepassen van de baggerspecie” niet een kwestie van kommer en kwel is en ook nog eens veel geld kost, maar dat baggeren rendeert en broodnodig is voor droge voeten, schoon water, gezonde natuur en een vlotte, veilige afwikkeling van de scheepvaart. Ook al moeten we hiertoe uitleggen dat wat we eerst vanwege de regelgeving ‘storten’ moesten noemen, nu vanuit de veranderde regelgeving een ’nuttige toepassing’ is (van een gifbelt naar functionele verondieping van een put t.b.v.natuur, waterkwaliteit, recreatie of veiligheid).

Voor meer informatie – zie www.akwa.info:

  • MKBA Waterbodems
  • Startovereenkomst
  • Zandwinputten, zo gek nog niet?
  • Kabinetsstandpunt Waterbodems
  • Circulaire & Handleiding Sanering Waterbodems
  • CTT, evaluatie CTT, Toekomstvisie Zoute Bagger
  • Nieuwe klassenindeling Waterbodems/baggerspecie
  • Handreiking selectie (zandwin)putten

Naar aanleiding van Peter’s presentatie meldde Waterschap Friesland dat zij baggerspecie gebruiken voor onderhoud aan kaden. In het Besluit Bodemkwaliteit zou zo’n toepassing als een gewone bodemtoepassing worden aangemerkt en vanwege de overwegende natuur- en landbouwfunctie van het landelijk gebied onder het strengste kwaliteitsregiem vallen. Bovendien zou vanuit de aanduiding als bodemtoepassing de eigenaar van de bodem (in casu de boer) verantwoordelijk worden voor de eventuele verontreiniging ten gevolge van de toepassing. Daarmee komen dergelijke toepassingen sterk onder druk te staan. Hoe kan dit risico afgedekt worden?
Een inhoudelijk antwoord op deze vraag zal worden gegeven in het kader van de inspraak. Dit punt is namelijk ook in het kader van de inspraak door enkele insprekers gemeld. De reactie op de inspraak zal worden gepubliceerd op de website van Bodem+.

Het beleid in de praktijk

Joost van der Plicht sprak namens Waterschap Rijn en IJssel en de Unie van Waterschappen over de werking van Besluit Bodemkwaliteit in de praktijk.
De Unie van Waterschappen heeft een jaar geleden enkele voorwaarden aangegeven bij de start van de wijziging van de landelijke regelgeving. Met name het het bestemmen van grond en bagger bij de uitvoering van het Nationaal Bestuursakkoord Water moet op efficiënte wijze mogelijk blijven en verbeteren. Daarbij is samenwerking van overheden in gebiedsgericht bodembeleid essentieel. Er werden voorstellen voor beleidsverbetering gedaan zoals: toepassingen baggerspecie risicogericht, nieuwe klasse-indeling, opheffen van de 20 meter grens en ook gebiedsgericht beleid voor bagger waarbij bagger zoveel mogelijk in het eigen gebied toegepast wordt. Al deze voorstellen zijn in het nieuwe beleid meegenomen. Op andere elementen heeft project Depot+ voorstellen gedaan voor de beschikbaarheid van voldoende stortlocaties.
Om het nieuwe gebiedsgericht beleid uit de verf te laten komen is samenwerking essentieel:

  • met eigenaren, voor verspreiden van baggerspecie;
  • met gemeenten, voor toepassen van specie bij infrastructurele en ruimtelijke ontwikkelingsprojecten;
  • met de markt: voor grootschalige werken (afdekken vuilstort, aanleg geluidswallen en wegen).
  • Samenwerking is niet altijd gemakkelijk. Als er veel eigenaren in een gebied zijn, kost overleg veel tijd. Joost ziet het als een taak van de waterschappen om het initiatief tot overleg en samenwerking te nemen.

Wat betreft het verspreiden van bagger is het streven van het nieuwe beleid dit tenminste gelijk te houden aan het huidige verspreidingsvolume. De oude klasse-indeling verdwijnt en daarvoor in de plaats komt een klasse-indeling gebaseerd op het risico van aantasting van biota (volgens de msPAF methode). De berekeningswijze hiervan zal in TOWABO , het toetsingskader waterbodems, worden opgenomen. De verspreidingsschaal heeft 4 klassen: altijd verspreidbaar, verspreidbaar op aangrenzend perceel (klasse A), niet verspreidbaar (klasse B) en nooit verspreidbaar. De terminologie is nog wat ongelukkig: klasse B kan in gebiedsgericht beleid bijvoorbeeld wel degelijk verspreid worden.
Er moet nog nader bepaald worden wanneer gesproken kan worden van baggerspecie: is daarvan sprake als materiaal vrijkomt bij het verflauwen van een oever? Of het aanscherpen van een profiel van een watergang?
Uit berekeningen van het RIZA/RIVM blijkt het totale verspreidingsvolume voor Nederland nauwelijks te wijzigen. Echter: nadere berekeningen leren dat per beheerder er wel degelijk grote gevolgen van de nieuwe berekeningsmethodiek kunnen optreden. Een eerste indicatie loopt van 16% minder tot 12% meer mogelijk. Komende weken komen de berekeningen in meer definitieve vorm naar buiten. Over het gehele land kan circa 5% minder verspreid worden.
Joost verwacht verder dat vooral in het gebiedsgerichte beleid meer mogelijkheden voor toepassen liggen dan in de huidige situatie, met name in toepassingen in de GWW sector (inclusief de Grootschalige Bodem Toepassingen).

Het oude beleid had haken en ogen, maar ook het nieuwe beleid zal valkuilen vertonen. Aan Bodem+ de uitdaging om ons daardoor heen te loodsen, en aan de mensen die ermee moeten werken de uitdaging om er het beste van te maken!

Reacties uit het publiek

Ria van Heck van de Stichting Behoud Leefmilieu en Natuur Maas & Waal deed een oproep aan allen om bij het bestemmen van baggerspecie de ecologische effecten niet uit het oog te verliezen. Te vaak al prevaleert het economisch belang boven dat van de natuur. Vooral storten van baggerspecie kan nadelige gevolgen hebben, b.v. via doorvergiftiging naar het grondwater. De overheid zou onderzoeksbudget moeten genereren om de gevolgen hiervan in kaart te brengen.

Wim Haalboom van de Provincie Friesland introduceerde een nieuw initiatief voor grootschalige toepassing van bagger in de landbouw. In Friesland gaat er op grote schaal (ingedroogde) bagger toegepast worden voor het ophogen van agrarische percelen en restauratie van kaden en terpen. Friesland hoopt dat het nieuwe beleid niet te veel drempels opwerpt.

Informatiemarkt

In de middag vond er een informatiemarkt plaats over waterbodemprojecten, en konden de deelnemers deelnemen aan een workshop of het bodembeheerspel:
De beschikbare informatie kunt u vinden op deze site.

Kennisquiz Nieuw Beleid

Aan het eind van de dag werden de aanwezigen getoetst in hoeverre zij de verstrekte informatie over het nieuwe beleid onthouden hadden.
Als winnares kwam naar voren Hedwig Oude Lenferink, juriste bij de afdeling Bodem van de Gemeente Enschede. Hedwig ontving van Henk van Zoelen (Bodem+) en Peter van Zundert (DGW) het Certificaat Deskundige Waterbodembeleid Nieuwe Stijl.