Flora- en Faunawet als remmende voorsprong voor het baggeren

Verslag themadag Baggernet te Lelystad, 30 juni 2006
in samenwerking met Waterschap Zuiderzeeland

Het uitgangspunt van de Flora- en Faunawet is dat er op natuurvriendelijke wijze gewerkt moet worden. In de praktijk blijkt dat voor de baggeraar niet altijd even eenvoudig. Menig project moest de afgelopen jaren stilgelegd worden omdat een zeldzame diersoort gesignaleerd werd. De praktische omgang met de Flora- en Faunawet bij baggerwerkzaamheden kwam aan de orde op de themadag die Baggernet in samenwerking met Waterschap Zuiderzeeland organiseerde in Lelystad op 30 juni 2006. Tweehonderd geïnteresseerden namen deel aan de bijeenkomst.

Jaap van der Veen, secretaris-directeur van Waterschap Zuiderzeeland, dacht de conclusie van deze themadag te kunnen voorspellen: als baggerwerk tijdig voorbereid wordt, daarbij rekening houdend met de Flora- en Faunawet, dan komt het allemaal goed.
“Bagger” heeft weliswaar een negatieve klank: slijk, modder – en het overdrachtelijke “bagger schijten” betekent “bang zijn”. Is die Flora- en Faunawet nu iets om bang voor te zijn? Of kun je de wet als een uitdaging beschouwen?

Henk Hoogenboom is lid van de begeleidingscommissie Gedragscode Flora- en Faunawet. De begeleidingscommissie bestaat uit vertegenwoordigers van de waterschappen, het ministerie van LNV en de Unie van Waterschappen. Het doel van de Flora- en Faunawet is de bescherming van alle plant- en diersoorten die in het wild leven; op natuurvriendelijke wijze werken is daarbij het uitgangspunt. De wet heeft veel negatieve kritiek gegenereerd; er mag geen werk uitgevoerd worden alvorens er ontheffing aangevraagd is, en menig bouwproject kwam de afgelopen jaren stil te liggen nadat bleek dat op het terrein zeldzame diersoorten voorkwamen. De onlangs ontwikkelde Gedragscode heeft tot doel het verminderen van de administratieve last die met het aanvragen van ontheffingen is gemoeid, de inbedding van soortbescherming binnen waterschappen en het verzekeren van de voortgang van een werk.

Er geldt voor alle plant- en diersoorten een zorgplicht, wat betekent het vermijden van activiteiten waarvan kan worden vermoed dat ze schadelijk zijn voor soorten, bekend zijn met de actuele natuurwaarden van een gebied, en zorg besteden aan de instandhouding van de soorten en hun leefgebieden. Onderhoudsbaggeren wordt gezien als voortzetting van (bestendig) gebiedsbeheer in het verleden; continuering van onderhoudsbaggeren is dan ook een voorwaarde voor het voortbestaan van soorten ter plaatse. Dit type werkzaamheden valt onder de gedragscode.
Sanering van waterbodems geldt als een activiteit die een sterke wijziging teweegbrengt; er zal dan ook ontheffing aangevraagd moeten worden voor de zwaarder beschermde diersoorten. Voor de “overige beschermde soorten” geldt een vrijstelling bij naleving van de gedragscode.
De te voeren strategie is het vervaardigen van werkprotocollen met als doel negatieve effecten op flora en fauna te voorkomen dan wel te beperken, en schade te compenseren.

De waterschappen hebben toegezegd de bescherming van de juridisch zwaarder beschermde plant- en diersoorten en hun leefgebied leidend te laten zijn bij de planning van beheeractiviteiten en inrichtingsprojecten. Het waterschap maakt daartoe een overzicht van deze zwaarder beschermde soorten en ontwikkelt een overzicht van soortbeschermende werkmethoden. Het waterschap houdt bij de aanschaf van nieuw baggermaterieel rekening met de plant- en dierbescherming en zorgt voor naleving van de gedragscode door partijen die in opdracht van het waterschap werken.

Er zullen situaties zijn waarbij toch ontheffing aangevraagd zal moeten worden, bijvoorbeeld als het niet mogelijk is om volgens de gedragscode te werken.
Henk sloot zijn presentatie af met een drietal stellingen – om verder over na te denken:

  • werken met de gedragscode (en dus rekening houden met de natuur) maakt het baggeren stukken leuker;
  • het beleid t.a.v. ontvangstplicht moet worden aangepast;
  • een vakantie in Europa biedt goede mogelijkheden om veldkennis van zeldzame soorten te verbeteren.

Voor geïnteresseerden: op het Wellantcollege wordt de cursus “omgaan met de gedragscode Flora- en Faunawet” gegeven. De cursus wordt gesubsidieerd door het ministerie van LNV.

Waterschap Zuiderzeeland heeft de gedragscode bestuurlijk omarmd. Betekent dit nu dat er veel veranderd is in de werkwijze?
Martijn Hokken werkzaam bij het Waterschap Zuiderzeeland, was onlangs met de aannemer op stap en zag met eigen ogen dat de gedragscode inderdaad toegepast wordt. Het waterschap respecteert de zorgplicht en weet waar actuele en potentiële natuurwaarden zijn. Het waterschap houdt die informatie uptodate via databanken en inventarisatie in en nabij het werk. Het handhaven van leefgebieden wordt in acht genomen. Een protocol voor ecologisch baggeren is in ontwikkeling, waarin zaken worden genoemd als het nemen van voorzorgsmaatregelen ter bescherming van soorten, en het gebruik van natuurvriendelijke baggertechnieken. Omdat Waterschap Zuiderzeeland de gedragscode omarmd heeft, hoeft er geen ontheffing voor baggerwerk aangevraagd te worden. Verder blijkt dat de typische waterschaptocht niet de cruciale schakel is in de levensstrategie van bijvoorbeeld de rugstreeppad (een zwaar beschermde soort). Met andere woorden: baggeren leidt veelal niet tot duidelijke aantasting van deze beschermde soort in de desbetreffende omgeving.
Nog een meevaller: ecologisch baggeren blijkt verrassend weinig extra kosten met zich mee te brengen.

Rijkswaterstaat is doende haar eigen gedragscode te ontwikkelen, en maakt daarbij dankbaar gebruik van de gedragscode van de Unie van Waterschappen die zo goed als rond is. Rogier Kuil van de Bouwdienst van RWS vertelde over de hindernissen waar tegenaan gelopen wordt.Voor activiteiten die vallen onder bestendig beheer wordt doorgaans geen ontheffing aangevraagd; maar wat er precies onder bestendig beheer valt, kan nog wel eens punt van discussie zijn. Net zoals bijvoorbeeld de eis van bevoegd gezag (LNV) en Staatsbosbeheer (beheerder van de Sliedrechtse Biesbosch) dat “goed ontwikkelde rietkragen” niet aangetast mogen worden bij baggerwerk. Wie bepaalt wanneer sprake is van een goed ontwikkelde rietkraag? Daarnaast vereist de WBB dat àlle vervuilde grond verwijderd of afgedekt wordt, dus ook onder rietkragen! Meer afstemming is nodig tussen bevoegde gezagen met betrekking tot dergelijke eisen uit uiteenlopende wetgeving. Ook zijn er (in het geval van de Sliedrechtse Biesbosch) soms meningsverschillen tussen Staatsbosbeheer en RWS over toezicht op de aannemer; RWS controleert minder stringent dan vroeger, er is nu echter rechtstreeks contact tussen SBB en de aannemer.
Achterstallig onderhoud wordt gedefinieerd als “nieuw werk”, en daarvoor moet ontheffing aangevraagd worden indien schade (aan matig en zwaar beschermde soorten) niet te voorkomen is. Extra voorwaarden om ontheffing te krijgen leken aan de orde toen er modderkruipers bleken voor te komen in te baggeren kreken van de Sliedrechtse Biesbosch. Alvorens de kreken uit te baggeren, zouden deze afgedamd en leeggepompt moeten worden en de modderkruipers gevangen en elders teruggeplaatst moeten worden. Modderkruipers zwemmen namelijk niet weg bij gevaar; die duiken steeds dieper de modder in. Deze maatregel zou echter een dusdanig ecologische schade aan het getijdegebied opleveren, dat er – na overleg - van is afgezien. RWS is dan ook voorstander van een praktische insteek bij toepassing van de wetgeving – het is beter in de geest van de wet te handelen dan volgens de letter, om ecologische schade te beperken.
In geval er broedvogels gesignaleerd worden in een gebied, is ontheffing voor werken in het broedseizoen nauwelijks mogelijk. Alleen het criterium “groot maatschappelijk belang” biedt dan nog opening.

Rogier illustreerde zijn presentatie met een aantal situaties die de afgelopen tijd bij de aanleg van baggerspeciedepot Hollandsch Diep optraden: een lepelaarkolonie op de oostpunt van de Sassenplaat, waardoor meetwerkzaamheden in het broedseizoen stopgezet moesten worden; de Grauwe gans die (onverwacht) bleek te broeden op kale strekdammen van de Sassenplaat waardoor de fasering van het werk aangepast moest worden, en de Noordse woelmuis die weggevangen moet worden aan de westzijde en vervolgens uitgezet op het (afgescheiden) oostelijke deel,
maar die met gemak om het hek heen kan terugzwemmen en die inmiddels helemaal niet meer is aangetroffen op de Sassenplaat .

Mark van der A, werkzaam bij Van Oord, is namens VBKO lid van de commissie Ontwerp Flora- en Faunarichtlijnen. Voor de aannemerij betekent de Flora- en Faunawet een toename van administratieve rompslomp en een afname van de perioden waarin gebaggerd kan worden. De aannemer zou gebaat zijn bij een opdrachtgever die het moment van aanbesteden afstemt op de ruimte die de F&F-wet biedt. Er moet rekening gehouden worden met de beste omstandigheden voor de natuur, maar daarnaast moet het werk uitvoerbaar blijven voor de aannemer. Er worden soms onmogelijke eisen gesteld: een aannemer is doorgaans geen ecoloog en heeft niet de kennis in huis om beschermde diersoorten te herkennen. Overigens vindt er op projectniveau wel voorlichting plaats binnen de aannemerij over beschermde soorten.
Een ander punt van zorg is dat er vele richtlijnen en gedragscodes ontwikkeld zijn of worden, die alle hetzelfde doel nastreven. Zou het haalbaar zijn met alle betrokken partijen om tafel te gaan zitten en 1 richtlijn te maken? 

Annette Piepers van Rijkswaterstaat-DWW heeft goed nieuws: het is de bedoeling de aannemerij te betrekken bij het opstellen van de gedragscode die RWS ontwikkelt. En die RWS-code is van alle codes voor de aannemer de belangrijkste, het meeste baggerwerk komt tenslotte van RWS.

Het ochtendgedeelte werd afgesloten met een korte introductie op de excursie van die middag naar de Oostvaardersplassen.