Verslag themadag Baggernet "Optimaal Depotbeheer"

gehouden op 13 november 2003, Beneden-Leeuwen

Het storten van baggerspecie in kunstmatige verdiepingen in havens, riviersystemen of meren wordt sinds enkele jaren gezien als een mogelijkheid voor het bergen van verontreinigde baggerspecie. Ook in de Vierde Nota Waterhuishouding wordt deze optie als punt van aandacht en onderzoek genoemd. Naast een aantal uitgebreide studies naar de (on)mogelijkheden van het storten in putdepots zijn er inmiddels ook voorbeelden van succesvolle en minder succesvolle initiatieven.
Op de themadag van Baggernet werden de kansen, valkuilen en misvattingen over het storten van specie in putdepots besproken. Tijdens een excursie naar het halfopen putdepot Kaliwaal konden de 200 deelnemers aan deze dag de praktijk bekijken. Delgromij (Grontmij) was gastheer van deze bijeenkomst.

Foto impressie

Met dank aan de excursieorganisatoren:
Wim Vermeule, Gert Haan (Delgromij) en Jappe de Best (Grontmij)

Project Depot+

Tineke Kuipers, werkzaam bij Provincie Utrecht, presenteerde het project Depot+. In het basisdocument Tienjarenscenario Waterbodems is geconcludeerd dat het onderhoud van watergangen en de natuurlijke aanwas van baggerspecie niet met elkaar in evenwicht is. Bij ongewijzigd beleid zal de omvang van de baggerspecie toenemen, resulterend in knelpunten voor de scheepvaart, recreatie, landbouw en visserij en aantasting van ecosystemen en veiligheid. Naar aanleiding van het Tienjarenscenario zijn een aantal projecten geïnitieerd, waaronder Depot+.
Depot+ wil antwoord geven op de vraag hoe de beschikbare depotcapaciteit optimaal benut kan worden, en - voor de langere termijn - hoe voldoende betaalbare stortcapaciteit gegenereerd kan worden.
Momenteel is er 79 miljoen m3 depotruimte beschikbaar, 14 miljoen m3 is in voorbereiding en 35 miljoen m3 in procedure (soms in een zeer pril stadium). Terwijl het Tienjarenscenario laat zien dat 140 miljoen m3 capaciteit nodig is.
In Depot+ is een aantal scenario's voor het optimaal benutten van depotruimte de revue gepasseerd, want met de huidige werkwijze kunnen de regionale waterbeheerders in een aantal provincies hun bagger niet kwijt omdat er geen depotcapaciteit voor hen toegankelijk is. Echter totale openstelling van de thans beschikbare depotcapaciteit zou betekenen dat binnen 8 jaar de beschikbare depotcapaciteit gebruikt is. Het genereren van nieuwe depotruimte vergt een lange procedurele weg.

De scenario’s voor ruimere openstelling van de thans beschikbare depotcapaciteit zijn met de depothouders besproken. Het advies van de depothouders is:

  • klasse 2 baggerspecie zoveel mogelijk elders te verwerken of in zandwinputten te storten
  • de thans beschikbare stortcapaciteit slechts te gebruiken voor klasse 3-4 baggerspecie
  • per depot een strategische voorraad te bepalen
  • en het overschot aan baggerspecie in de markt zetten tegen een gemiddeld tarief
  • landelijk te kijken, niet per provincie - benutten van overcapaciteit in buitengebieden

De werkgroep Depot+ denkt aan ruimere openstelling van een beperkt aantal depots.

Deze conclusies voor het korte termijn beleid zullen binnenkort gerapporteerd worden aan het Bestuurlijk Overleg Waterbodems. Dan zal tevens een eerste aanzet gegeven worden voor beleid op de lange termijn: hoe voldoende stortcapaciteit te genereren.
Depot+ heeft nu geen goede aanknopingspunten met Ruimte voor de Rivier, maar het model biedt wel de mogelijkheid om later alsnog op Ruimte voor de Rivier in te spelen.

Optimalisatie van bestaande depots

Haico Wevers van Boskalis Dolman BV schetste het verschil over het denken over baggerspecie: beheer neigt tot storten in grote depots, terwijl de maatschappelijke trend richting verwerken gaat. Er is in de maatschappij dus geen draagvlak voor het openen van nieuwe depots. Dat vereist een duurzaam beheer van bestaande depots: door baggerspecie zoveel mogelijk te verwerken tot bouwstoffen en zo goed mogelijk om te gaan met het beschikbare depotvolume. Daarbij is een integrale aanpak nodig. Bij verwerken en hergebruik van baggerspecie moet rekening gehouden worden met het gedrag van het residu, beleid moet gericht zijn op afzet van het produkt buiten èn binnen het depot, en het doel moet niet alleen hergebruik zijn maar ook volumereductie. Specie dient efficiënt ingebracht te worden en zo min mogelijk water bevatten. Bij inbreng moet al rekening gehouden worden met toekomstige verwerking. Ook kan gekeken worden hoe de capaciteit van een bestaand depot vergroot kan worden.
Volumereductie wordt verkregen door ontwateren en grootschalige rijping. Ontwateren kan bijvoorbeeld door toepassing van geotextiel ontwateringzakken, of met behulp van een zeefbandpers. Bij baggerspecieverwerking kan gedacht worden aan zandscheiding, rijping/landfarming of koude/thermische immobilisatie. Op de Maasvlakte wordt koude immobilisatie toegepast; er zijn wat stagnaties m.n. wat betreft de afzet. In Engeland loopt een grootschalig experiment voor thermische immobilisatie, waar Boskalis Dolman bij betrokken is.
Natuurlijke sedimentatie en consolidatie in grootschalige depots is een goedkope volumereductie-methode, maar is tijdrovend omdat water moeilijk uit het pakket weg kan komen en er sprake is van gasvorming. Hierdoor kan de potentieel beschikbare ruimte na consolidatie in de praktijk niet gebruikt worden. Daarom worden zettingsversnellende technieken toegepast zoals drainage (met of zonder bovenbelasting, horizontaal en/of verticaal, met zandlaag en/of vacuumconsolidatie). De Beau-drain wordt genoemd, die door Boskalis is ontwikkeld en gepatenteerd: een horizontale drain die gekoppeld is aan verticale drains waardoor de natuurlijke consolidatie met een factor 4 versnelt. Deze drain wordt al succesvol toegepast in veen- en kleigebieden, maar zou ook voor gebruik in depots geschikt kunnen zijn.
Bij drainage met of zonder vacuumconsolidatie kunnen problemen ontstaan door o.a. dichtslaan van drains. Boskalis heeft daarom een proef lopen voor gebruik van de Beau-drain met baggerspecie uit de Slufter; hoopgevend voorlopig resultaat is dat de drains na 8 maanden nog steeds water geven, en dus niet dichtslaan met specie. Verder is een duidelijke volumeafname zichtbaar, maar ook verstoring door temperatuursinvloeden ten gevolge van bacteriegroei. Dat laatste wordt overigens geweten aan de laboratoriumomstandigheden (oxisch milieu).
Haico concludeerde dat optimaal depotbeheer een kwestie is van een combinatie van optimale verwerking, toepassing van zettingsversnellende technieken en ontwatering (vooraf) van te bergen specie. Aanleg van nieuwe (dure) depots moet zo mogelijk vermeden worden.
In de toekomst zouden bestaande depots slechts als buffer moeten gaan dienen, en niet als definitieve opslagplaats.

Depot Drempt; gezichtspunten vanuit initiatiefnemers

Joost van der Plicht van Waterschap Rijn en IJssel memoreerde aan de themadag op 9 november 2000, toen Baggernet te gast was bij Depot Drempt en er presentaties werden gegeven over het project Oude IJssel
Dit project behelsde o.a. een grootschalig baggerwerk in verband met hydraulische en nautische problemen in de Oude IJssel. Onderzoek toonde aan dat de kwaliteit van het water in de Oude IJssel slecht was. De waterbodem bevatte veel klasse 4 baggerspecie. Het volume aan baggerspecie werd geschat op 750.000 m3, en daarvan zou volgens de toenmalige berekeningen 300.000 m3 gestort moeten worden. Begin 90-er jaren is gestart met het baggeren en saneren. Anno 1995 waren de stortmogelijkheden beperkt; depot IJsseloog was nog in ontwikkeling en was met name bedoeld voor specie uit het Ketelmeer; de Slufter was ver weg en het was onzeker of specie van de Oude IJssel geaccepteerd zou worden; depot Kaliwaal was nog in ontwikkeling. Een depot dat ver weg ligt geeft bovendien transportproblemen.
Aanleg van een eigen depot werd derhalve wenselijk geacht, zowel om een snelle uitvoer van project Oude IJssel te realiseren alsook om baggerspecie uit andere regio's in Oost-Gelderland te bergen. Het ging in het project Oude IJssel overigens niet alleen om baggerwerk, maar ook om herstel van aangetaste oevers en de aanleg van een ecologische verbindingszone met Duitsland. 
In 1996 heeft het Waterschap plas Drempt aangekocht en kort daarna de omliggende gronden ten behoeve van tijdelijke opslag van specie. Onder andere voor het depotbeheer van Drempt heeft Waterschap Rijn en IJssel de BV Waterstromen opgericht. Deze BV heeft echter veel activiteiten die liggen in het verlengde van de kerntaak van het waterschap. BV Waterstromen neemt namens het Waterschap deel aan de beheerfunctie, waarin ook private partijen een rol spelen. Het vergunningentraject voor het definitief depot heeft zo'n 4 jaar in beslag genomen (1999-2003), wat eigenlijk relatief snel is vergeleken met projecten van gelijke aard. Inmiddels zijn de werkzaamheden voor aanleg van het definitief Depot Drempt begonnen.
Waterschap Rijn en IJssel zal het depot inrichten, haar eigen baggerspecie storten, en vervolgens het depot met restruimte verkopen aan Depot Drempt BV met overdracht van alle rechten en plichten.
Depot Drempt BV is een samenwerkingsverband van GMB, BV Waterstromen en Delgromij.
Tot 2012 zal het stortbedrijf functioneren, daarna is natuurinrichting voorgeschreven voor Drempt.
Joost sloot zijn presentatie af met de stellingen:

  • wachten op ontwikkelingen in het beleid levert geen bijdrage aan een vlotte uitvoering
  • bevoegde gezagen hebben niets aan andermans beleid: rijks- of provinciaal beleid wordt vaak niet goed opgevolgd wordt door lokaal beleid/uitvoer
  • landelijk beleid vertaalt zich slecht in faciliteiten op gemeentelijk niveau. Dùrf depotruimte beschikbaar te stellen!

Depots Drempt en Kaliwaal, gezichtspunten vanuit bevoegd gezag

Linda Baukema is van de provincie Gelderland en gaf een presentatie, waarin zij inzicht verschafte in de procedures voor een baggerspeciedepot en wat daar allemaal bij komt kijken. Het krachtenveld bij de procedures voor een grootschalig baggerspeciedepot bestaat uit een aantal partijen. De coördinatie van het geheel ligt doorgaans bij de provincie. 
De initiatiefnemer start het gehele gebeuren met het indienen van een startnotitie, maakt vervolgens een MER en aanvragen voor de benodigde vergunningen. Het belang van de initiatiefnemer is dat hij zo snel mogelijk alle benodigde vergunningen heeft en aan de slag kan.
De provincie houdt zich bezig met de milieuvergunning en MER in het kader van de Wet milieubeheer, en de ontgrondingen in het kader van de Ontgrondingenwet. Het belang van de provincie is om te kijken of de aanleg van een baggerspeciedepot milieuhygiënisch verantwoord is en past binnen het daarvoor geldende beleid. Tevens weegt ook het zoeken naar een oplossing voor de baggerspecieproblematiek mee. Buitendijkse zandwinningen moeten vooral gekoppeld zijn aan rivierverruimende maatregelen in combinatie met natuurontwikkeling. Nieuwe winlocaties en bestaande plassen moeten waar mogelijk weer worden verondiept of aangevuld, zodat voor flora en fauna een afwisselend milieu ontstaat. 
Rijkswaterstaat
is bevoegd als het gaat om de zorg voor het oppervlaktewater in het kader van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren, het beheer van de riviersystemen in het kader van de Wet beheer Rijkswaterstaatwerken en het saneren van waterbodems in het kader van de Wet bodem bescherming. Het belang van Rijkswaterstaat is een goede kwaliteit van het oppervlaktewater, waarin een ecosysteem goed kan functioneren, een veilige situatie achter de rivierdijken ten aanzien van overstromingen en veiligheid van de dijken en het zoeken naar goede oplossingen voor de baggerspecieproblematiek. 
Het Waterschap heeft diverse wateren en waterkeringen in haar beheer. In het kader van de Keur voor waterkeringen en wateren voor het Waterschap kan een ontheffingsstelsel gelden. Het belang van het Waterschap is het beheer en behouden van een goede kwaliteit van diverse in haar beheer zijnde wateren en waterkeringen.
De gemeente is verantwoordelijk voor het bestemmingsplan, met daarin soms opgenomen een aanlegvergunningenstelsel. De gemeente heeft belang bij een zo goed mogelijke woonomgeving voor haar inwoners, waarbij verstoring tot een minimum wordt beperkt.
Bij derden leeft vaak de nimby (not in my backyard)-gedachte en zij zijn dan ook doorgaans tegen een baggerspeciedepot in hun directe omgeving. Daarnaast spelen nog de commissie voor de milieueffectrapportage en de externe adviseurs (als ministeries van Landbouw, VROM en Verkeer en Waterstaat) een rol. Naast het externe krachtenveld spelen ook de interne krachtenvelden binnen o.a provincie en rijkswaterstaat een rol.

Ten behoeve van het beoordelen van de tijdens de procedure ingediende informatie dient het bevoegd gezag rekening te houden met een veelvoud aan beleidsstukken op Regionaal-, Provinciaal-, Rijks- en Europees niveau. Het Regionaal beleid, dat de bestemmingen van gebieden inhoudt heeft een uitzonderingspositie, omdat de milieuwetgeving in principe los staat van de ruimtelijke ordening. Indien een depot qua bestemmingsplan niet zou passen in een gemeente, dienen de bevoegde gezagen RWS en Provincie, indien milieuhygiënisch een en ander in orde is, de milieuvergunningen (Wm en WVO) toch te verlenen indien initiatiefnemer dit wenst. Deze beschikkingen mogen enkel en alleen geweigerd worden op milieuhygiënische gronden en niet op ruimtelijke. 

Linda liet als voorbeeld de procedures van de baggerspeciedepots de Kaliwaal en Drempt zien. De totale procedure tijd, dit is vanaf de startnotitie tot onherroepelijke vergunning is voor Drempt 6 jaar en voor de Kaliwaal 7,5 jaar. De lange proceduretijd blijkt achteraf gezien vooral in het begintraject te zijn ontstaan. Bij Depot Drempt diende de MER-procedure opnieuw gestart te worden vanwege verkeerde uitgangspunten. Tevens was er scheefgroei in het krachtenveld ontstaan, die tijdig werd ontdekt. Door veel informatieverstrekking over en weer is het vervolg van de procedure voorspoedig verlopen. Bij de Kaliwaal werd de scheefgroei in het krachtenveld pas na het verlenen van de vergunning ontdekt, wat leidde tot een enorme nasleep in de vorm van beroepszaken. Het MER voor de Kaliwaal was zeer technisch van aard. Dit heeft bij derden geleid tot het indienen van circa 150 bedenkingen en gaf de Provincie Gelderland, die vooral ook kijkt met een maatschappelijke bril, de aanleiding tot het vragen van aanvullende informatie. De feitelijke vergunningsprocedures (gerekend vanaf definitieve aanvraag tot het afgeven van de definitieve vergunning), die volgens de wet niet langer dan circa 6 maanden dienen te zijn, waren voor Drempt circa 11 maanden en voor de Kaliwaal 8 maanden. Gesteld kan worden dat deze procedures vlot zijn doorlopen, omdat niet verwacht mag worden dat voor dergelijke complexe vergunningsprocedures met grote maatschappelijke onrust een 6 maanden procedure doorlopen kan worden Voor dergelijke procedures dient rekening te worden gehouden met een proceduretijd van een jaar.
Linda bracht de volgende punten onder de aandacht van initiatiefnemers:

  • Formuleer doordacht de aandachtspunten
  • Zorg voor een coöperatieve opstelling
  • Denk aan het creëren van draagvlak
  • Heb aandacht voor de emoties van bewoners

Linda sloot haar presentatie af met te stellen dat we met z’n allen een gemeenschappelijk doel hebben en dat is een zorgvuldige besluitvorming. Deze zorgvuldige besluitvorming brengen we tot stand door een zo goed mogelijke communicatie.

Depot Kaliwaal

Gert Haan van Delgromij gaf een introductie op de excursie naar het depot Kaliwaal. 
Het project Waaier van Geulen van Delgromij omvat de aanleg van het depot Kaliwaal voor berging van diffuus verontreinigde grond, en de ontwikkeling van een omvangrijk natuurontwikkelingsproject in de aangrenzende uiterwaarden. Zie verder www.kaliwaal.nl

Aansluitend vond een excursie plaats naar de Kaliwaal onder leiding van Jan van Veen en Fokko Erhart van Stichting Ark, en Wim Vermeule en Jan Slaghuis van Delgromij. Zie de foto-impressie

Nieuwtjes en vragen voor en door Baggernetters

Op themadagen van Baggernet krijgen deelnemers gelegenheid nieuwe initiatieven of ontwikkelingen te melden. Op 13 november werden de volgende mededelingen gedaan

//José de Ruiter, NOVEM://
SUBBIED - de eenmalige uitkering baggeren bebouwde kom van V&W is een groot succes. 
Doel van de regeling is de achterstand in baggerwerk in te lopen. Inmiddels zijn 130 aanvragen binnen, waarvan uiteindelijk zo'n 70 gehonoreerd kunnen worden.
zie www.subbied.novem.nl 

John Heynen, NOVEM
SVB - de stimuleringsregeling voor verwerking van baggerspecie klasse 3-4 tot bouwstof
De subsidiepot is nog goed gevuld met zo'n Euro 38 miljoen. John doet dan ook een oproep aan verwerkers om goed te kijken welke specie verwerkt kan worden en een aanvraag voor de SVB in te dienen.
zie www.svb.novem.nl

Dick van Waning, Ingensche Waarden
Attendeert op de zojuist verschenen brochure 'Bagger en Bodem': een optimische kijk op de baggerproblematiek. De boodschap van het boekje is dat we niet bang hoeven te zijn voor vervuiling in sediment, omdat in bagger (evenals in andere soorten verontreiniging) het zelfreinigend vermogen van de natuur werkzaam is.
Dick van Waning is toekomstig baggerdepotbeheerder en roept collega-depothouders op niet bang te zijn voor een gezonde concurrentie. 

Pol Hakstege, AKWA
De verwerking van baggerspecie wordt door de rijksoverheid serieus genomen. Daarvoor is de SVB ingesteld. Ook loopt er een grootschalige verwerkingsproef om aan te tonen onder welke condities grootschalige verwerking en afzet van het product mogelijk is. Voor dat doel geeft RWS een aanbodgarantie van bagger. Voorwaarde is dat 25% van de aangeboden specie verwerkt en de produkten afgezet moeten worden.
Pol ondersteunt de uitspraak van Haico Wevers: verwerken en storten waar mogelijk combineren.
Er is een informatiebrochure te verkrijgen bij de projectleider: Willem de Graaf van RWS Utrecht.

Marcel Tonkes, RIZA
In project "Athene" (voortgekomen uit het Tienjarenscenario Waterbodem) worden nieuwe saneringsdoelstellingen ontwikkeld.. Een ander belangrijk aspect hierin is de Europese Kaderrichtlijn Water, die uitgangspunt wordt voor het saneren van waterbodems. De waterbodem wordt als mogelijke bron van verontreiniging gezien voor het gehele watersysteem. Heroverwogen wordt of de waterbodem wel bij het hoofdstuk 'bodem' hoort. Beter is het bij 'water' te plaatsen. Het beleid lijkt hier positief tegenover te staan. Eind 2003 zal de projectgroep een rapport en advies uitbrengen. 

Bert Carpay, Arcadis
Doet een oproep om niet alleen technologisch naar baggerspecie te kijken, maar vooral ook de natuurlijke aspecten (microben) mee te nemen.
De ecologie trekt zich niets aan van onze klassen-indeling, en kan een verrassend positieve impact hebben op de kwaliteit van de specie.
Belangrijk is om kennis uit andere vakgebieden te betrekken om sneller tot (betere) oplossingen voor het baggerspecieprobleem te komen.

Mw. Van Heck - Stichting Leefmilieu Maas en Waal
Heeft een aantal vragen en opmerkingen inzake opslag van bagger in depots, en Kaliwaal in het bijzonder: 

  • Ten aanzien van de berging van BAGA-specie vraagt zij zich af welke levensvormen in staat zijn om in het uittredende proceswater te leven. In dat proces- en poriënwater bevindt zich anorganisch arseenzuur in fors hogere concentraties dan toegestaan. Heeft dit geen nadelige invloed op de broedkamerfunctie van het gebied? 
  • Wanneer arseen doorlekt naar het 200 m dikke watervoerend pakket zullen de nood- en beheersmaatregelen niet toereikend zijn. Wanneer de vervuiling van het grondwater onder de Kaliwaal is opgetreden is de vervuiling niet meer terug te draaien. Dit heeft nadelige gevolgen voor veeteelt, fruitteelt en gewassen. Wie gaat de schade betalen?
  • In baggerspeciedepots ontstaat gasvorming. In de MER staat dit risico niet beschreven. Als slibmassa's gaan schuiven zal de specie gedeeltelijk ontgassen. Zijn hiervoor maatregelen ingecalculeerd?

Gert van der Hof, Dura Vermeer
Dura Vermeer start met het ontwikkelen van een slib- en grondbank in Hoek van Holland. 
Deze Slib en Grondbank Waterweg (SGW) is gevestigd in de Buiten Nieuwlandse Polder West te Hoek van Holland en bestaat uit een inrichting waar baggerspecie tot en met klasse 3 en licht verontreinigde grond be en verwerkt worden. 
De Buiten Nieuwlandse Polder West is tot 1970 benut voor de berging van baggerspecie uit het benedenrivierengebied van Rotterdam en met name de Rotterdamse havens. Omdat deze havenspecie ernstig is verontreinigd met organische en anorganische parameters is nu ook de polder ernstig verontreinigd met een ca. 9 meter dikke laag voormalige bagger. 
Tijdens de exploitatie van de Slib- en Grondbank Waterweg wordt ontwaterde (en gerijpte) baggerspecie en licht verontreinigde grond, waaronder categorie 1 en MVG grond toegepast in de sanering van de polder.
Tien jaar lang zal de Slib- en Grondbank Waterweg, met een maximale totale capaciteit van circa twee miljoen kubieke meter aan te voeren baggerspecie, voor een oplossing zorgen voor de (inter)regionale baggerproblematiek. Uiteindelijk zal de gesaneerde locatie weer een maatschappelijke functie kunnen vervullen. 
Voor meer informatie kunt u mailen met: SGW@duravermeer.nl 

Alex Leget, LCHG
Zoekt mensen die ervaring hebben met onvoorziene chemische processen bij het storten van baggerspecie in putten.