Asbest in bagger

Verslag van de themadag van Baggernet op 4 april 2002 in Hoorn

Op 4 april organiseerde Baggernet in samenwerking met het Waterschap Westfriesland een themadag over het onderwerp asbest in bagger. Dat het onderwerp actueel is bleek uit de grote opkomst: zo’n 200 geïnteresseerden van waterschappen, provincies, gemeenten, onderzoeksbureaus, aannemingsbedrijven etc. namen deel.

De kosten die gemoeid zijn met het opruimen van asbest in de droge bodem worden geraamd op € 2 tot 9 miljard, blijkt uit een bijna afgeronde studie uitgevoerd in opdracht van de Stichting Kennisontwikkeling Kennisoverdracht Bodem. Er is een maatschappelijk weerstand tegen lichte vervuiling en dat is een reden temeer om tot actie over te gaan. Maar dan moeten we wel weten waarover we het hebben. Aldus de heer Bruins Slot, dijkgraaf van het Waterschap Westfriesland, in zijn openingswoord.

Peter Tromp, analist bij TNO, gaf een toelichting op het fenomeen asbest. Asbest is een natuurlijk mineraal met vezels die in fijne naalden opsplitsen. Er is hechtgebonden en niet-hechtgebonden asbest. Bij hechtgebonden asbest komen geen vezels vrij, tenzij er bewerkingen uitgevoerd worden als zagen, schuren. Bij niet-hechtgebonden asbest (isolatiemateriaal, spuitasbest) kunnen onder minder rigoreuze omstandigheden vezels vrijkomen.

Asbest komt in de bodem door brand en explosie, bij onderhoud en illegale sloop van gebouwen, stort van afval, en door asbesthoudend materiaal dat gebruikt wordt als wegverharding. Asbest komt in de waterbodem terecht door depositie vanuit de lucht, erosie van beschoeiingen en illegale stort. Ook zijn er diffuse bronnen zoals afspoelen van regenwater van daken, maar daarover is weinig bekend. Evenmin is informatie beschikbaar over asbest in rioleringsbuizen, overstorten e.d.

Monstername van granulaat gebeurt in 4 fasen: de eerste 2 betreffen historisch onderzoek (archieven gemeente, verkenning), de laatste 2 fasen betreft visuele inspectie. Niet-hechtgebonden asbest is visueel moeilijk waarneembaar, dus in dat geval wordt meteen overgegaan tot monstername. Bij hechtgebonden asbest is het probleem dat bij monstername lokaal zeer grote afwijkingen voorkomen: voor een goede monstername is tot 2000 kg aan materiaal nodig, wat eigenlijk ondoenlijk is. Daarom vindt er een voorscheiding op lokatie plaats in grof en fijn materiaal. Op het grove materiaal vindt visuele inspectie plaats, het fijne materiaal wordt in het laboratorium geanalyseerd. In het lab wordt het materiaal gedroogd, gewogen en gezeefd. De fractie < 4 mm wordt met de lichtmicroscoop bekeken, de fractie < 100 μm wordt met de elektronenmicroscoop bekeken. Deze laatste fractie is gevaarlijk en geeft bij inademing gezondheidsrisico.

Blootstellingsfactoren zijn o.a. de soort asbest (hecht-/niet-hechtgebonden), grootte van de vezels, weersinvloeden. Vocht is gunstig. Zolang asbest zich in de waterbodem bevindt, is er geen probleem. Pas bij bewerking ontstaat risico, dan kan het materiaal geïnhaleerd worden, of indirect via schoeisel op droge plaatsen terechtkomen en vandaar in de lucht verspreid worden.

VROM hanteert als concentratienorm voor niet-beroepsmatige blootstelling het ALARA principe (as low as reasonably achievable) met als maximaal toelaatbaar risico 100.000 vezelequivalenten per m3 lucht.

Zie verder het SKB-rapport “Asbest in bodem” dat in mei 2002 afgerond wordt. 

Aansluitend ging Wim Scheltema, Arbeidsinspectie, in op de gevaren van asbest. 
Wim begon met een drietal stellingen:

  1. Het risico aan blootstelling van asbest in baggerspecie is afhankelijk van de gekozen baggermethode.
  2. Het risico van (zichtbare) hechtgebonden asbest in de bagger is kleiner dan het risico van (vaak niet zichtbare) niet-hechtgebonden asbest
  3. Het beheersen van het arbeidshygiënische risico voor werknemers begint dus al bij het historisch onderzoek en de analyse van het (in het kader van het milieuonderzoek) genomen bodemmonster.

De Arbo-Wet: 
Het Arbo-besluit, hoofdstuk II, afdeling 5, betreffende “Bouwplaatsen”, behandelt in het bijzonder de verantwoordelijkheidsverdeling bij het bouwproces en is erop gericht een goede samenwerking tussen betrokken partijen tot stand te brengen. Het betreft hier dus de taken en verantwoordelijkheden van de opdrachtgever in de ontwerpfase en de aannemer in de uitvoeringsfase.
In het Arbo-besluit, hoofdstuk IV, zijn voorschriften te vinden voor het werken met o.a. asbest, alsmede een artikel inzake het verbod t.a.v. blootstelling van werknemers aan gezondheidsbedreigende stoffen.

De weinige beleidsregels zijn beperkt tot de bodem. Er is niets beschikbaar voor bagger. Het enige wat gehanteerd kan worden is de CROW-publicatie waarin staat vermeld:
De opdrachtgever heeft, afhankelijk van de situatie, een kennisgevingsplicht (hoeveel werk betreft het), moet er een Veiligheids- & Gezondheidsplan opgesteld worden, coördinator aanstellen in de ontwerpfase, en arbozorg-aspecten in studie-, ontwerp- en uitvoeringsfase in acht nemen.
Zodra asbest in bagger geconstateerd is, dient het werk geklasseerd te worden als 3-T(oxisch). 
Zowel tijdens de voorbereiding als de uitvoering moet het werk begeleid worden door een gecertificeerde hogere veiligheidskundige, een gecertificeerde arbeidshygiënist, of een deskundige plaatsvervanger. 
De kans op blootstelling aan asbest is het grootst in situaties van aërosolvorming. Om die situatie te voorkomen moet er met gesloten systemen gebaggerd worden. Daar zit helaas wel een prijskaartje aan.
De Arbeidsinspectie heeft als taak de procedures te handhaven, het hanteren van een lik-op-stuk-beleid, het bestuurlijk en strafrechtelijk traject te bewaken, en zo nodig met andere handhavende diensten samen te werken. Hoewel de risico’s bij transport van nat materiaal (10% vochtgehalte) vrijwel nihil is, gelden ook hiervoor de standaard regels. 

De Arbeidsinspectie verleent geen goedkeuring aan een plan van aanpak. Slechts bij heel risicovolle projecten is de Arbeidsinspectie bereid advies te geven, maar een officieel fiat voor een plan wordt nooit verleend.

Ter voorkoming van problemen verdient het aanbeveling om de met asbestverontreinigde oeververdediging of beschoeiing voorafgaande aan het baggerwerk te verwijderen.

Jan Kuyper van Bureau Bodemsanering van de Provincie Noord-Holland houdt zich o.a. bezig met asbest in de waterbodem.
Hij adviseert asbest niet te negeren! Want vroeg of laat komt het probleem toch bovendrijven en dan kunnen de kosten voor aanpak fors hoger uitvallen.
De Provincie hanteert dan ook de regel dat bij elk bodemonderzoek asbestinventarisatie uitgevoerd moet worden.
Iedereen heeft dagelijks met asbest te maken: we ademen het in, krijgen het binnen als we koffie drinken etc. Maar binnen toelaatbare grenzen. Problemen ontstaan bij grote blootstelling. En de burgers weten nu dat asbest gevaarlijk kan zijn en dat geeft grote onrust. Vooral ook wanneer er asbestsaneerders in maanpakken aan het werk gaan.
De asbestnotitie van de Provincie hanteert dezelfde normen als de Baw (Besluit asbestwegen). De ernst en urgentiebepalingen zijn versimpeld. De ernst en omvang wordt momenteel onderzocht door TNO-MEP. Actief Bodembeheer wordt toegepast: Bodem met hoge concentratie asbest mag worden hergebruikt binnen hetzelfde gebied, wat in de praktijk betekent dat de grond afgedekt wordt door bebouwing of een leeflaag.
Conclusies: altijd nagaan of er asbest in bagger zit. Ookal worden humane risico’s niet aangetoond, toch heb je met regelgeving en verplichtingen voor verwijdering te maken.

Een drietal cases werd toegelicht door resp. Peter Groen van Waterschap Westfriesland, (baggerdepots), Joost van der Plicht van Waterschap Rijn en IJssel (diverse baggerwerken in Gelderland) en Marc Lentjes van het Advies- en Kenniscentrum Waterbodems (baggerwerk Twentekanaal). Conclusies van alle cases is dat bronverwijdering de beste optie is. Als dat vrijwillig moet gebeuren, zou de overheid daar iets tegenover moeten stellen ter stimulering. Waterschap Westfriesland is een inventarisatie gestart naar de omvang van het probleem en brengt alle asbestverdachte materialen langs sloten in kaart. In totaal blijkt, na het inventariseren van 50% van het gebied, dat langs 12,8 km watergang asbestverdacht materiaal aanwezig is. Het reinigen van met asbestverontreinigde ingedroogde bagger en het afvoeren van niet reinigbaar materiaal, betekent een flinke kostenpost van zo’n 50% van de totale baggerkosten, exclusief arbo-maatregelen! 
Bovendien kun je te maken krijgen met bergingsproblemen, zoals in het geval van Waterschap Rijn en IJssel waar asbesthoudend materiaal niet afgevoerd mocht worden en geruime tijd op de werkplaats moest blijven liggen. Het afdekken van een forse puinbult en zandberg is niet eenvoudig! Pluspuntje is dat het uiteindelijk schone zeefzand verkocht is, en het gereinigde puin kon worden hergebruikt bij oeververdediging.
Een baggerdepot van Waterschap Westfriesland is nu zelfs tijdelijk gesloten i.v.m. asbestvervuiling, in afwachting van goedkeuring van het onderzoek en saneringsplan. En dat terwijl asbest in een baggerdepot niet te voorkomen is.

Er kunnen nog meer vertragende factoren optreden, zoals bij het vinden van munitie in bagger. Dan komt er nog eens een voortraject bij het werk dat uitgevoerd moet worden door een gespecialiseerde aannemer. Bij het baggerwerk in het Zijkanaal van het Twentekanaal is de asbesthoudende baggerspecie in beunschepen afgevoerd naar depot IJsseloog. Ter voorkoming van mogelijke blootstelling tijdens transport is de lading afgedekt met een laagje water. Het betrof hier baggerspecie verontreinigd met niet-hechtgebonden asbest. Omdat de hele grondverzetketen nat plaatsvindt zijn de blootstellingsrisico’s minimaal. Wel is er een gering blootstellingsrisico door aërosolvorming. Tijdens luchtmetingen gedurende het baggerwerk zijn geen verhoogde asbestvezelconcentraties gemeten (zoals verwacht). Het continu werken met adembeschermingsmiddelen was daardoor niet nodig. Op de bagger- en loslocatie werden de beunschepen voorafgaand aan transport en na het lossen schoongespoeld om verwaaiing van opdrogende specie te voorkomen. Aandachtspunt vormt asbest in baggerspecie die op grond van de reinigbaarheidscriteria (Wbm) in aanmerking komt voor verwerking. Ondanks het hoge zandgehalte (>60%) is de baggerspecie uit het Twentekanaal niet over het zandscheidingsbekken geleid om asbestcondamintatie in het bekken te voorkomen. Veelal dient asbesthoudende grond verpakt getransporteerd te worden in big-bags. Het in big-bags verpakken en transporteren van natte asbesthoudende baggerspecie is praktisch niet haalbaar en sterk kostenverhogend. Dit baggerproject heeft aangetoond dat het in bulk vervoeren gecontroleerd kan plaatsvinden zonder verhoogd blootstellingsrisico. Benadrukt werd om bij een humaan (uitvoerings)risico veel aandacht te besteden aan de communicatie met Arbeidsinspectie, bewoners, en andere belanghebbenden. 

Kees Oranje van IGAT vertelde over de verwerking van asbesthoudende baggerspecie aan de hand van de ervaringen bij de 3e Merwedehaven te Dordrecht, een haven die in de 60-er jaren is aangelegd, en die eind 80-er jaren voor het eerst bij de top 10 van saneringslocaties genoemd wordt. In overleg met de gemeente Dordrecht is de haven in gebruik genomen als afvaldepot voor o.a. verontreinigde grond en baggerspecie. De doelstelling van IGAT is vanaf het begin geweest de waarde van het afval te verhogen. Dit is onder andere gerealiseerd door het leveren van duurzame energie uit het zogenaamde stortgas en ontwikkelen van initiatieven gericht op hergebruik.
In de toekomst zal het accent meer op de bewerking van bagger en verontreinigde grond komen te liggen. Kees lichtte een case toe van verwerking van een partij asbesthoudende baggerspecie: in het baggerdepot is een subdepot gegraven; iedere dag, na afloop van de werkzaamheden, wordt een laag water op de specie gezet om indroging te voorkomen en uiteindelijk werd de hele partij afgedekt. Met VROM is overlegd of de gehanteerde werkwijze voldeed, Arbeidsinspectie heeft de werkwijze getoetst, en veel aandacht is besteed aan communicatie met de omgeving. 
De bagger werd getransporteerd in vloeistofdichte vrachtauto’s voorzien van overdruk en absoluutfilter. Na inweging en lossen, werd de buitenzijde van de auto gereinigd. Na afloop van de aanvoer werden alle gebruikte voertuigen grondig gereinigd, waarna een vrijgavemeting is uitgevoerd. De werkzaamheden vonden plaats onder toeziend oog van een DTA. 

Alex Koenders, ProKAM, tenslotte resumeerde dat er over asbest in bagger veel vragen, en weinig antwoorden zijn. Advies voor de toekomst is dan ook om nieuwe ontwikkelingen te volgen, maar ondertussen zelf actie te nemen en niet af te wachten! Risicogebieden moeten in kaart gebracht worden evenals de mogelijke asbestemissies tijdens baggeractiviteiten, en de financiële consequenties van sanering. De bron moet aangepakt worden. Preventieve sanering is beter dan een vaak veel duurdere oplossing in de toekomst. Verdere acties: Ontwikkelen onderzoeksprotocol, wet- en regelgeving in kaart brengen (verwijderingsplicht asbesthoudend materiaal, aansprakelijkheid bij bagger-op-de-kant, verhaalacties bij asbestverontreiniging). Tevens is het is wenselijk een werkgroep van probleembezitters in te stellen, die aansluiting zoekt bij bestaande werkgroepen die vanuit andere invalshoeken met het probleem bezig zijn.
Een en ander moet leiden tot een plan van aanpak “werken met asbesthoudende baggerspecie”, het beschikbaar hebben van bruikbare en getoetste onderzoeksprotocollen en een wet- en regelgeving die eenduidigheid nastreeft, preventieve sanering stimuleert, en passende vergunningen verleent inzake opslag en verwerking van asbesthoudende baggerspecie.


1. Het SKB-rapport Asbest in bodem is te bestellen bij SKB, email: skb@cur.nl, onder vermelding van rapportnummer SV-515. De prijs voor SKB-deelnemers bedraagt 22,50 Euro en voor niet SKB-deelnemers 
45 Euro. Graag op uw E-mail duidelijk vermelden waar het rapport en de factuur naar toe kunnen worden gestuurd.