Bijeenkomsten uit het verleden

Baggernet workshop 23 september 1999 te Utrecht

"In-situ waterbodemsanering, voorstelbaar en haalbaar ?"

[ samenvatting ][ verslag ]

Samenvatting

De waterlopen in Nederland moeten regelmatig worden uitgebaggerd vanwege nautische, of waterhuishoudkundige redenen. De kwaliteit van de Nederlandse waterbodems is echter op veel plaatsen zodanig aangetast, dat sanering noodzakelijk is. De conventionele aanpak is dan het verwijderen van het verontreinigde materiaal uit de waterloop door middel van baggeren. Dit levert dus jaarlijks een hoeveelheid baggerspecie op, naast het materiaal dat om onderhoudstechnische redenen wordt gebaggerd. In een aantal gevallen moet deze aanpak echter als minder gewenst, of niet doelmatig worden beschouwd.

In het verleden is er onderzoek gedaan naar de mogelijkheden van in-situ sanering door het toevoegen van preparaten aan de waterbodem, die als doel hadden de biologische afbraak te bevorderen van zowel een deel van de verontreinigende stoffen, als ook die van de organische stof. Door de afbraak van de organische stof zou het volume van de verontreinigde materiaal worden verkleind, zodat het onderhoud (uitbaggeren) zou kunnen worden uitgesteld. Het toevoegen van deze preparaten bleek echter tot teleurstellende resultaten te leiden. Daarmee leek de optie van in-situ sanering van verontreinigde waterbodems als niet haalbaar te moeten worden bestempeld.

In de laatste jaren hebben zich echter voor terrestrische bodems zowel in het beleid, als ook in de techniekontwikkeling een groot aantal veranderingen voltrokken, die ertoe hebben geleid dat er steeds meer wordt gezocht naar in-situ oplossingen. Daarbij is de gedachte verlaten dat een sanering altijd binnen zeer korte tijd moet worden uitgevoerd en altijd moet leiden tot een "multifunctionele" bodem. Er wordt nu veel meer rekening gehouden met de functie die de bodem nu en in de (voorzienbare) toekomst heeft, of zal krijgen. Daarbij staat een beoordeling van de humane en ecologische risico’s voorop. Tevens wordt er zoveel mogelijk gebruik gemaakt van natuurlijke processen, ofwel het zelfreinigend vermogen van de bodem.

Het doel van deze in opdracht van PGBO (Programma Geïntegreerd Bodemonderzoek) uitgevoerde studie is om vanuit de visie die is ontwikkeld voor verontreinigde terrestrische bodems na te gaan welke mogelijkheden er zijn om deze visie ook voor verontreinigde waterbodems te gebruiken. Daartoe is de mening gepeild van een aantal deskundigen op het gebied van terrestrische en aquatische bodemsanering. Na evaluatie van de gevoerde gesprekken is in overleg met de opdrachtgever besloten om het onderzoek te beperken tot de waterbodems die zijn gelegen binnen het natte profiel van waterlopen. Aan geborgen baggerspecie en bodems van uiterwaarden wordt derhalve slechts zijdelings aandacht besteed.

De mogelijkheden van een in-situ aanpak zijn sterk afhankelijk van de lokale situatie (aard en bindingsvorm van de verontreinigende stoffen, omvang van de verontreiniging, functies, afmetingen en stromingssituatie van de waterloop, etc.). Dit rapport geeft allereerst op basis van theoretische overwegingen een lijst van methoden en technieken die bij verschillende situaties in aanmerking komen. Daarbij wordt voor de meest relevante opties een eerste beoordeling van de haalbaarheid gegeven. Tevens bevat het rapport een aantal voorbeelden van concrete situaties waarbij de beschreven opties zouden kunnen worden toegepast.

De beschreven opties liggen op het vlak van het stimuleren van (microbiologische) afbraak van organische verontreinigende stoffen (inclusief dechlorering), de concentrering van metalen in planten, het vastleggen van metalen, of organische verontreinigende stoffen (adsorptie aan diverse materialen, cementering, vitrificatie) en het beperken van advectieve verspreiding naar grond- of oppervlaktewater (bijvoorbeeld door het afdekken van de bodem, of door hydrologische isolatie van een waterloop). Soms kan ook het achterwege laten van een ingreep als de meest wenselijke optie naar voren komen.

Diverse gevallen worden geschetst waarbij een in-situ aanpak wenselijk lijkt. Daarbij gaat het om situaties waarbij een meer conventionele aanpak (veelal baggeren) niet doelmatig is, of tot grote schade aan natuurwaarden leidt. Voorwaarde voor een in-situ aanpak is dat bestaande, of met de in-situ aanpak geïntroduceerde nieuwe (korte- of lange-termijn)risico’s acceptabel zijn. De mogelijkheden om de snelheid van biologische afbraakprocessen in-situ te verhogen zijn beperkt. Voor kleine watersystemen zijn er wellicht wel mogelijkheden om maatregelen te treffen waardoor aan de met aërobe processen gepaard gaande zuurstofvraag kan worden voldaan. In sommige gevallen is het denkbaar dat de omstandigheden voor reductieve dechlorering worden geoptimaliseerd. Dit is met name het geval, indien de betreffende waterloop (tijdelijk) van de aangrenzende watersystemen kan worden geïsoleerd. Voor het vastleggen van verontreinigende stoffen door adsorptie kan worden gedacht aan het toepassen van kleischermen, of kleilagen waaraan eventueel toeslagstoffen zijn toegevoegd; specifiek voor metalen kan phytostabilisatie op langere termijn mogelijkheden bieden. De advectieve verspreiding naar grond- en oppervlaktewater kan worden verminderd door middel van afdekken ("capping") van de verontreinigde bodem met een kleilaag, waaraan eventueel ook stoffen (organische stof, of zuurstofleverende verbindingen (ORC’s) kunnen worden toegevoegd om de sorptiecapaciteit te verhogen, dan wel de biologische afbraak te stimuleren.

De haalbaarheid van de geïdentificeerde opties is in zijn algemeenheid moeilijk in te schatten. Steeds zullen de effecten op het aquatische ecosysteem in rekening moeten worden gebracht. In concrete gevallen, waarbij een conventionele aanpak op grote bezwaren stuit, zal een op de heersende omstandigheden toegespitst onderzoek uitsluitsel moeten geven over de haalbaarheid van een alternatieve (in-situ) aanpak. Indien bepaalde opties dan perspectiefvol blijken te zijn voor praktische toepassing, kan als vervolgstap een praktijkproef worden uitgevoerd.

Aanbevolen wordt om als vervolg op deze studie een workshop te organiseren, waarin een aantal deskundigen praktijkgevallen aandragen. Uit deze praktijkgevallen kunnen vervolgens enkele cases worden geselecteerd, die nader worden uitgewerkt en in een samen te stellen panel van deskundigen worden becommentarieerd. Dit moet resulteren in een heldere probleemanalyse, inzicht in de inspanningen die nodig zijn om tot toepassing in de praktijk te komen en zo mogelijk een concreet onderzoeksprogramma voor nadere uitwerking van de mogelijkheden voor in-situ aanpak.

 

Download

Samenvatting workshop 23 september, J. van der Gun(17 KB)
Verslag workshop 23 september
, J. van der Gun (61 KB)

Overzicht


Baggernet Online © 1999 - 2009