"In-situ waterbodemsanering, voorstelbaar en haalbaar ?"
[ samenvatting ][ verslag ]
Bij de start van de bijeenkomst worden de circa 60 aanwezigen onaangekondigd door middel van een kleurensticker op hun badge ingedeeld in vier groepen. Verder is informatie beschikbaar voor de deelnemers in de vorm van samenvattingen van presentaties en/of sheets en brochures.
Bij de opening en het welkomstwoord door Johan van Veen als voorzitter van
deze middag wordt aansluitend het doel van de middag uiteengezet.
In opdracht van PGBO is door BOdemBeheer bv in samenwerking met TNO-MEP een
perceptie-onderzoek uitgevoerd bij verschillende groeperingen in Nederland, die een
bepaalde affiniteit hebben met waterbodems, over de (on)mogelijkheden van een in-situ
aanpak in geval waterbodemverontreinigingen een ingreep noodzakelijk maken. De resultaten
hiervan zijn vervolgens geïnterpreteerd, aangevuld met eigen kennis en in een logisch
kader geplaatst. Het eindresultaat roept beelden op waaruit je zou kunnen concluderen dat
in bepaalde situaties en onder bepaalde omstandigheden zeker mogelijkheden aanwezig
(zouden moeten) zijn voor een in-situ aanpak.
Het doel van de workshop is om de resultaten van de studie te presenteren en om vervolgens
de beelden over het toekomstperspectief te toetsen aan de perceptie van de deelnemers.
Daarbij kan afsluitend worden geïnventariseerd of er bij enkele probleembezitters een
zodanig warm gevoel is gaan ontstaan dat men bereid is om bepaalde cases voor te dragen om
aan een nadere beschouwing te onderwerpen en te toetsen op de potentie voor een in-situ
aanpak.
Voor de belangrijkste resultaten van de uitgevoerde PGBO studie, zoals deze door Johan van der Gun worden uiteengezet, wordt verwezen naar de Samenvatting van deze studie, die als bijlage aan dit verslag is toegevoegd. Aanvullend hierop worden kort nog toegelicht de belangrijkste resultaten uit de praktijk met gecombineerde ex-situ landfarming/fytoremediatie en de ontwikkelingen daarvan richting in-situ aanpak alsmede ex-situ immobilisatie.
In vier groepen is gediscussieerd over vragen als: Met welke typen problemen is men in de praktijk al geconfronteerd geweest waar baggeren geen oplossing was, is of zal zijn? Hoe is men hiermee omgegaan of welke ideeën bestaan daarover? Wat zijn de gevoelens over de 10 door Van der Gun geschetste opties/principes (zie tabel 1) en welke kansen en bedreigingen worden daarbij gezien? Op welk vlak worden de grootste problemen verwacht ten aanzien van de toepassing in de praktijk en wat is nodig om een en ander haalbaar te maken in geval wel theoretisch/technologisch mogelijkheden worden gezien?
Groep van der Gaast:
Fytoremediatie kan werken, maar extractie van metalen valt tegen. Er zijn veel onderzoeksprojecten uitgevoerd: het zou zinvol zijn deze te evalueren.
Deze projecten zijn i.h.a. gericht op demonstratie van de techniek, zonder dat er voldoende duidelijkheid is over de onderliggende procesmechanismen. Vaak ontbreekt het aan het uitvoeren van goede controle-experimenten.
Hoewel het concept aantrekkelijk is, dreigt de techniek dood te bloeden door gebrek aan inzicht in het proces dat zich in de waterbodem afspeelt. Meer inzicht kan helpen in het vinden van de sleutelfactoren en de kwetsbare punten. Het kan bijvoorbeeld helpen de factor die beperkend is voor het succes te achterhalen.
Een algemeen gedeelde mening is, dat beide sporen (demonstratieprojecten inclusief voldoende controle-experimenten en wetenschappelijke onderzoek voor vergroting van het inzicht) parallel naast elkaar moeten worden gevolgd.
Op de vraag of biologische afbraak toekomst lijkt te hebben, kwamen de volgende reacties:
Een combinatie van gestimuleerde biologische afbraak en verder niet ingrijpen kan in bepaalde situaties zeker een geschikte optie zijn. Een mogelijkheid is ook de afbraak van natuurlijke, laagmoleculaire restproducten te stimuleren. Hierdoor zouden sorptieplaatsen kunnen vrijkomen die eerst door deze verbindingen worden bezet en na de afbraak beschikbaar zijn voor organische microverontreinigingen.
Ook worden mogelijkheden gezien in een combinatie van microbiologische afbraak en biologische afbraak door het aanbrengen van beplanting. Een voordeel boven de fyto-extractie van metalen is, dat er geen verbranding van geoogste planten nodig is. Voor de aanpak van metaalverontreiniging kan worden gedacht aan sulfidische precipitatie, zoals in "wetlands" (reiniging van afvalwater uit mijnen) wordt toegepast. Hieraan zou bijvoorbeeld bij de herinrichting van uiterwaarden (projecten in het kader van het vergroten van de ruimte voor de rivieren) kunnen worden gedacht. Wellicht is de techniek ook toepasbaar in grootschalige baggerspeciedepots.
Wat betreft de optie van "niet ingrijpen" moet worden opgemerkt, dat dit wel dient samen te gaan met het uitvoeren van een goed onderbouwd monitoring programma.
Overige opmerkingen:
In het gebied van het zuiveringsschap Rivierenland is een locatie aanwezig met cresolenverontreiniging, die mogelijk in aanmerking komt voor een in-situ aanpak (bijvoorbeeld het toepassen van adsorptieknikkers).
Fosfaatfixatie met FeCl3 is in het verleden zonder succes uitgeprobeerd in de Reeuwijkse plassen, maar wordt wel toegepast als waterzuiveringstechniek, bijvoorbeeld in de Nieuwkoopse plassen.
De urgentie van het probleem met betrekking tot zware metalen lijkt nu minder hoog te zijn, als gevolg van de verhoging van de laatste MTR-waarden.
Markteconomisch gezien zal een in-situ aanpak naar verwachting niet interessant zijn. In een aantal gevallen kan je door middel van biologische afbraak wel een kostenvoordeel halen, met name als het materiaal van klasse 3 naar klasse 2 kan worden gebracht en het als gevolg daarvan op de kant mag worden gebracht.
Door verschillende aanwezigen wordt opgemerkt dat het SKB zich sterk lijkt te richten op de korte termijn. Dit komt o.a. tot uiting in het feit dat er geen prioriteit wordt toegekend aan fytoremediatie (behalve wellicht voor het vastleggen van zware metalen), zie ook de SKB-discussienotitie "Keuzes maken binnen het werkveld technologie", september 1999.
Groep Van der Gun:
Binnen de groep is alleen ervaring met het genoodzaakt zijn om naar alternatieven te kijken bij waterlopen waarbij door baggeren stabiliteitsproblemen van de oevers dreigen te ontstaan. In deze situaties wordt dan wel gewerkt met capping.
Als algemene problemen worden aangemerkt het ontbreken van marktperspectief ook al zouden theoretische mogelijkheden kunnen worden omgezet naar technologische concepten. Storten blijft beleidsmatig een zeer belangrijke optie (80% van het potentiële aanbod), zodat de aandacht vanuit de praktijk zich primair daarop zal blijven richten. Ook vanuit de vergunningen sfeer zullen zeer grote belemmeringen aanwezig blijven.
Incidenteel zullen echter wel mogelijkheden aanwezig blijken te zijn daar waar baggeren niet kan (obstakels, stabiliteitsproblemen), ondoelmatig is (zeer dunne lagen) of ongewenst is (hoge natuurwaarden). Per geval bekijken wat de mogelijkheden zijn. Er is geen algemeen toepasbare in-situ oplossing
Op de vraag betreffende de gevoelens over de verschillende opties/principes komt het volgende beeld naar voren:
Biologische reiniging:
mogelijkheden zeer beperkt. Aërobe afbraak geen optie, ook niet door toevoeging van allerlei hulpmiddelen. Anaërobe afbraak is in sommige gevallen een optie;
vaak cocktail van verontreinigingen die niet allen biologisch afbreekbaar zijn (zware metalen).
Capping:
in bepaalde situaties een optie. Bijvoorbeeld bij overdiepte in havens of inhammen van kanalen/rivieren;
vraagtekens bij lange termijn effecten i.v.m. erosie;
geen oplossing van het probleem, korte termijn politiek.
Immobilisatie:
techniek nog niet ontwikkeld;
geen oplossing van het probleem, slechts beperking verspreiding.
Fytoremediatie:
in specifieke gevallen toepasbaar (helofyten+fosfaat; natuurontwikkeling);
toepassing voor waterbodems die sterk zijn verontreinigd met zware metalen onwaarschijnlijk.
Monitoring
geen oplossing maar beheersing van problemen;
eerst meer inzicht in risicos van waterbodemverontreinigingen (gebiedsgericht);
toepasbaar indien uit risicoevaluatie komt dat er geen directe risicos zijn. Bestaan er wel risicos, dan andere probleemoplossende aanpak kiezen.
Als toekomstvisie voor in-situ waterbodemsanering bestaan de volgende beelden:
er is waarschijnlijk geen (grote) markt voor in-situ waterbodemsanering;
monitoring lijkt een kansrijke optie. Een vereiste is echter dat er eerste meer inzicht komt in de actuele risicos van waterbodemverontreinigingen, waarbij gebiedsgerichte differentiatie essentieel is. Daarnaast dient veel meer inzicht te komen in de processen die zich in de waterbodem afspelen;
andere in-situ saneringstechnieken zoals capping en beplanting/fytoremediatie zullen in specifieke gevallen zeker kansrijk zijn.
Groep Weenk:
De resultaten van de discussie in deze groep zijn doormiddel van steekwoorden weergegeven. De belangrijkste constateringen zijn:
er bestaat veel verwarring over de "in-situ" definitie. In de praktijk is door aanvoer van schoon slib/zand vaak al sprake van natuurlijke capping. Wel wordt gesteld dat deze natuurlijke afzettingen vaak nog van onvoldoende kwaliteit zijn, maar bij een systeembenadering komt dit aspect wel boven water;
saneringen uitsluitend vanuit een milieuhygiënische noodzaak komen in de praktijk nauwelijks voor en krijgen dan nog vaak een lage prioriteit;
risico's zijn moeilijk te kwantificeren of te voorspellen met modellen, waardoor er betrekkelijk weinig aandacht voor is;
er ontbreekt nog veel kennis over (autonome) processen in de waterbodem;
van belang is potentiële en feitelijke risico's in kaart te brengen en maatregelen en/of beheersing van de situatie daarop af te stemmen;
in-situ sanering kan in de praktijk interessant zijn in combinatie met bijvoorbeeld een verwijdering van de toplaag;
waterbeheer is te gebruiken om metalen te immobiliseren, bijvoorbeeld door toelating van zoute kwel;
door het ontbreken van voorspel/kwantificeer kennis is monitoring nodig, zowel van concentraties, biobeschikbaarheid, blootstelling en bioassays als veldwaarnemingen van effecten op organismen;
bij opname van zware metalen door bijvoorbeeld riet of koolzaad moet je ook rekening houden met de doorvergiftigingsrisico's. RWS heeft een bruikbaar model daartoe.
Algemeen werd geconcludeerd dat er op onderdelen wel proceskennis aanwezig is over in-situ sanering, maar dat dit samengebracht zou moeten worden tot een totaalbeeld. Nader onderzoek is dus zeker nodig.
Verder wordt gepleit om nu snel over te gaan tot praktijkproeven en dit te combineren met een goed monitoringprogramma ten behoeve van het krijgen van inzicht in de bodemprocessen!
Groep Van Veen:
In deze groep worden een aantal zaken genoemd die ook bij de andere groepen naar voren zijn gekomen. Praktijkervaringen met echte in-situ technieken zijn niet aanwezig binnen de groep. Wel worden ex-situ ervaringen genoemd met een aantal van de 10 genoemde opties/principes (zie tabel 1) onder andere bij behandeling in depots. Aanvullend wordt nog het volgende vermeld:
de (ad hoc) ervaringen die nu zijn opgedaan bij behandeling in (kleine) depots zouden verder uitgebouwd kunnen en ook moeten worden naar een meer gestructureerde in-situ aanpak van verontreinigingen in grootschalige depots;
een in-situ aanpak in grote havengebieden wordt niet voor mogelijk gehouden;
voor zoetwater getijde gebieden, zoals de Hollandsche IJssel en de Biesbosch worden wel mogelijkheden voor een in-situ aanpak gezien;
neveneffecten zullen een belangrijk aandachtspunt moeten zijn bij een verdere beschouwing over de praktische haalbaarheid. Kennis van de specifieke processen die zich in de waterbodem afspelen is essentieel.
Bij de plenaire terugkoppeling krijgen de deelnemers de gelegenheid om met
de opgedane aanvullende informatie hun gevoelens of verwachtingen ten aanzien van een
mogelijk toekomstperspectief in kaart te brengen. Uitgangspunt zijn de 10 opties/principes
van Van der Gun.
De deelnemers krijgen allemaal drie stickers die geplaatst kunnen worden achter de naar
verwachting meest perspectiefvolle opties. De probleemhebbers en de technologieaanbieders
krijgen elk een aparte kleur om een eventuele differentiatie bij de conclusies mogelijk te
maken.
Niet alle stickers hoeven te worden geplaatst. Als we helemaal niets zien zitten plaatsen
we geen stickers. Ook bestaat de mogelijkheid om drie stickers bij één optie te
plaatsen.
Het plaatje over de technieken die "we wel zien zitten" komt er na het plakken
van de stickers uit te zien zoals in tabel 1 staat weergegeven.
Tabel 1: Perceptie ten aanzien van potentieel haalbare in-situ technieken
Principes/opties |
Probleemhebbers 1) |
Technologie-aanbieders 1) |
Stimuleren microbiologische afbraak |
* * * * (4) |
* * * * * * * * * * * * * * * * * (17) |
Stimuleren microbiologische reductieve dechlorering |
(0) |
* * * * (4) |
Stimuleren biologische afbraak |
* * * * (4) |
* * * * * * * * * * * * (13) |
Stimuleren biologische concentrering en verwijdering |
(0) |
* * * * * * (6) |
Mobiliseren van verontreinigende stoffen |
(0) |
(0) |
Chemische omzetting |
(0) |
(0) |
Vastleggen van verontreinigende stoffen (immoblisatie) |
* * * (3) |
* * * * * * * * * * * * (13) |
Beperken advectieve verspreiding stoffen opp. water |
* * * * (4) |
* * * * * (5) |
Beperken advectieve verspreiding stoffen grondwater |
(0) |
(0) |
Niet ingrijpen en monitoren |
* * * * (4) |
* * * * * * * * * * (10) |
1) De verhouding aanwezige probleemhebbers/technologie-aanbieders was ongeveer 2:5
Uit dit overzicht komen als potentieel het meest kansrijk naar voren:
De microbiologische en biologische technieken;
Het vastleggen van de verontreinigende stoffen (door planten);
Het niet ingrijpen maar monitoren van processen gericht op n.a. en effecten;
Het cappen gericht op risicoreductie ten aanzien van het aquatisch ecosysteem.
Op de vraag van de voorzitter of er geïnteresseerden zijn met een
concreet praktijkprobleem, waarvan men het de moeite waard vindt om deze eens te toetsen
aan de aangemerkte kansrijke principes/ opties, komen spontaan drie aanmeldingen naar
voren. In de voorbereidingsfase waren al twee aanmeldingen binnengekomen, zodat over vijf
concrete probleemsituaties kan worden beschikt die nader verkend zouden kunnen worden ten
aanzien van alternatieve saneringswijzen.
De voorzitter stelt voor om vanuit de opdrachtnemers van de genoemde PGBO studie het
initiatief te laten nemen richting de geïnteresseerde vijf partijen.
Na een informatief bilateraal gesprek over elk van de probleemsituaties kunnen deze worden
voorbereid voor een discussie binnen een in te stellen deskundigen panel (zonder
aanvullend onderzoek). Deze stap is aan te merken als definitiestudie voor een mogelijke
verdere verkenning met eventueel noodzakelijk onderzoek.
Het deskundigenoverleg, waarin de probleemhebber een belangrijke rol zal vervullen, kan
resulteren in een projectvoorstel voor nader onderzoek binnen SKB kader. De
definitiestudie zal ook worden aangekaart bij SKB.
De voorzitter hoopt dat snel vervolgstappen kunnen worden genomen, zodat bij de volgende
Baggernet bijeenkomst al voorlopige resultaten kunnen worden gemeld over de ontvangst bij
SKB en/of de inhoudelijke voortgang.
J. van der Gun
BOdemBeheer bv
oktober 1999
Samenvatting workshop 23 september, J. van der Gun (17 KB)
Verslag workshop 23 september, J. van der Gun (61 KB)
Baggernet Online © 1999 - 2009